imagination is funnnn-y-y-y-y (express weg zes)

jeroen olyslaegers

Later, veel later eerst bedacht hij dat hij misschien alleen zoveel moeite had gedaan om een kracht in bedwang te houden die zijn kop niet opstak als hij geen roeping te vervullen had.
Alfred Jarry, Superman


Alles begint bij het huwelijk. Sommigen beweren dat het daar eindigt. Het heeft geen zin om met hen in discussie te treden. Ik probeer niet meewarig te kijken wanneer iemand zo'n klaagzang aanheft. Linda houdt zich dan afzijdig maar ik merk aan haar handen dat ze onrustig wordt, hoewel een ander de indruk zou kunnen krijgen dat ze verveeld is, of zelfs dat haar handen mogelijk toegeven aan een kramp die louter door pijn en bloed kan worden bezworen, door moord uit balorigheid. Stop Linda geen vleesmes in haar handen; de rillingen lopen over je rug. Breng haar evenmin in de buurt van alles wat met de keuken te maken heeft; koken is niet haar sterkste kant.

Wanneer Luc belt om te zeggen dat het weer lang geleden is dat we elkaar hebben gezien, kijk ik onmiddellijk naar de kalender die bezaaid is met omcirkelde rode L's. Zelden is het meer dan een week geleden dat hij op bezoek was of dat we samen met hem champagne gingen drinken om het weekend in te zetten. En steeds zeg ik dat het inderdaad lang geleden is. Ik zeg het en kijk in de spiegel die Linda boven het telefoontafeltje heeft gehangen om elegant in haar haar te klauwen als de mens aan de andere lijn haar verveelt. Is hij het, zie ik Linda vragen zonder geluid te maken. Ik knik en weet wat ze dan gaat zeggen. Haar lippen vormen het woord "vrijdag". Diezelfde lippen die zich daarnet over mijn rechtertepel sloten om daarna enkele centimeters lager af te dalen naar mijn enige litteken: een slecht verzorgde getuige van een wonde uit mijn kindertijd, hogelijk ongevoelig voor alles buiten haar tong. Als ze me daar likt voel ik me een pulpheld, voel ik me cheap trash.
"Vrijdag," zeg ik in de hoorn.
"Meestal belt hij naar mij," zegt Linda nadat ik de hoorn heb ingelegd.
"Hij wisselt af."
"Kleed je aan."
"Dit is mijn après-bad moment."
"Wanneer komt het kookmoment?"
"Er net na."
"Ik heb honger," zegt ze terwijl ze een potlood neemt en het kruiswoordraadsel van de Flair geeuwend begint in te vullen.

Woensdag. Een sms-bericht van hem op haar gsm. Hij vraagt wat wij gaan aandoen. Linda zegt dat wij voor bruin gaan vrijdag. Geen reply.

Donderdag. Luc kondigt aan dat hij net een lange bruine leren jas gekocht heeft, tegen een verrukkelijke reductie. Daaronder zijn zwart pak. Misschien die rode das van hem daarop? Linda sms't terug. In geen geval die rode das. Heeft die nieuwe leren jas een riem? Ja, blijkbaar wel. Linda kijkt teleurgesteld. Ik zeg tegen haar dat hij die chocoladekleurige das moet aandoen, die Pierre Cardin waarbij hij steeds opnieuw hetzelfde verhaal over zijn grootvader vertelt. Zijn reply: "Chocolate it is. Tot morgen."

Aan de overkant van onze flat verandert een huis van eigenaar. Elke ochtend kijk ik hoe het huis geleidelijk wordt aangepast aan de nieuwe bewoners. Ze kussen elkaar voortdurend. Hun nieuwe, zelf verworven woonst staat pal in het midden van hun liefde. Hun enthousiasme smeer ik dun uit over de dagen die komen tot ik een feuilleton aanschouw dat eigenlijk over niets gaat. Zonder die onophoudelijke veranderingen aan hun huis zullen ze verdwijnen, even anoniem als de rest van mijn buren. Hun huis verschaft me een ingang, een reden om naar hen te kijken. Zij, een meisje nog eigenlijk, die tot laat op de avond de voordeur rauw schuurt (ze wuifde al eens met haar steekmes naar me toen ik voorbijkwam met een zak vol video’s); hij, die samen met een hoop vrienden tijdens het weekeinde containers vullen en om de haverklap een pilspauze inlassen; daarna een busje vol Polen die blijkbaar alles kunnen; en uiteindelijk een hele groep van bekommerden die tijdens het grote moment van de verhuis wordt ingeschakeld: van vrouwen met kleine kinderen die systematisch gevaarlijke toeren uithalen waar niemand op let tot bejaarde mannen die advies verlenen over hoe alles het vlotst zou kunnen verlopen. Onze ramen staan open en we horen het gelach achteraf als alles ongeveer op zijn plaats staat. Ik stop even met Linda in te smeren met een wuft ruikende lustcrème, in de hoop een stuk van de dronken conversatie te kunnen opvangen. Ze kijkt vragend naar mijn glimmende vingers terwijl de video achter haar gewoon door gaat met het tonen van lijven. Ik rep met geen woord over mijn vervolgverhaal in kipkap en smeer verder. De transformatie van de slaapkamer van onze overburen geniet vooral mijn aandacht. Ons appartement ligt hoger en de inkijk is optimaal. Alles is verhuisd maar ze hebben nog geen gordijnen gehangen. Eerst ligt er gewoon een matras op de grond. Het zijn lezers. Ieder heeft een stapeltje boeken en een moegeplooide leeslamp naast zich geïnstalleerd nog voor ze beddengoed hebben aangeschaft voor hun matras en donsdeken. De ruwheid van die slaapkamer: ik kan er niet genoeg van krijgen. De kartonnen dozen veranderen om de haverklap van plek. Soms stapelt zij alles op elkaar zodat ze de volgende dag haar creatie weer zuchtend kan afbreken. Ze opent de dozen, rommelt er in en haalt er triomfantelijk een borstel uit of een setje nagelknippers. Op een dag hangen er dan toch plots gordijnen voor de ramen. Nee! gil ik. Een week later staan de ramen wijd open en ik bemerk met een schok dat er nu ook beddengoed is (blauw met vermoedelijk een Disney-motief), samen met twee kleine kleerkasten en een nieuw setje leeslampen van Ikea die je gewoon de muur moet indraaien. En hoewel het beddengoed haastig en vooral slordig is toegeslagen en ik hier en daar een verwaarloosde pantoffel en een kous bemerk, is het nog moeilijk te ontkennen dat alles zijn plek heeft gevonden en bijna verzilverd lijkt voor de komende decennia. Ik loop naar onze slaapkamer. We wonen hier al drie jaar en ik tel vijf ruime kartonnen dozen en een hoop rommel die niet echt thuishoort op deze plek. Het is een test: kijken, écht kijken naar wat je hebt. Maar het bewijst helemaal niets.

Als kind leek het me alsof mijn ouders constant feestjes gaven. Ik sliep graag in met gegiechel en luide conversaties onder me. Ik voelde me veilig, genoeg mensen aanwezig om me te beschermen tegen ruige dievenbendes die in mijn verbeelding ieder moment konden binnenvallen met machinegeweren en uitzinnige marteltuigen voor diegenen die niet direct wensten te vertellen waar hun goud verscholen zat. Linda herinnert zich gelijkaardige toestanden. Soms vond ze 's morgens mensen slapend op de sofa, overal lege wijnflessen, restjes sterke drank en half opgerookte sigaren. Ik moest al die feestvrienden van mijn moeder en vader aanspreken met "nonkel" en "tante". Zij ook. Ik kan mij een feestje herinneren waarbij mijn vader voorlas uit mijn dagboek dat hij net onder mijn bed gevonden had. "Woensdag. Vicky heeft rare tepels." Er werd gelachen, mijn vader had een perfecte timing. Ik moest gaan slapen, het dagboek kreeg ik niet terug. Ik probeerde in het duister op de trap te luisteren of er nog werd uit voorgelezen. "Tante" Daniëlle vond me toen ze naar het toilet moest. Ik zat verstijfd van de schrik en de gêne. "Bedje in," zei ze. Ik stond op en ze gaf me een droge tik op mijn billen. Ik schaamde me toen voor mijn pyjama, mijn benauwd gezicht en de manier waarop ik me zittend tegen de trapleuning had gedrukt. Ik schaam me er nog steeds voor. Ik had het in het zwart gekleed moeten zijn, met leren musketierlaarzen aan en mijn mond geplooid in een gevaarlijke glimlach. De vriendinnen van mijn ouders roken vroeger zo uitzinnig. Wordt er nu minder kwistig met parfum omgegaan?

"Luc heeft je graag," zegt Linda tegen me nadat hij naar het toilet is vertrokken, "ik zie hem soms naar je staren."
"Ik ben een begaafd spreker. Mensen luisteren naar me."
"Ze kunnen niet anders." Ze lacht.
"Ik zie je graag," zegt ze en ze knijpt in mijn hand.
"Wat ik voor jou voel is nog veel erger," zeg ik.
Luc verschijnt weer. We toasten met hem op al het goede, al het onnozele, alles wat geen bal uitmaakt voor de niet-ingewijden.

Ik kijk graag naar Linda wanneer ze zich uitkleedt. Ze checkt ook steeds opnieuw of ik wel kijk. Nu niet. Nu kijkt ze in de badkamerspiegel terwijl ze haar bh losmaakt.
"Zou hij het menen?" vraagt ze stil.
Ik zucht en zwijg. Ook ik kijk naar mezelf. Ik moet me scheren. "Ik voel dat hij het meent." En plots staan haar ogen onder water. En ook bij mij wellen tranen op. Ik vind het vreselijk als ze triest is. Ze is dan zo ver weg. "En hij ziet er zo van af, Donald. Ik voel dat. Hij probeerde het op het einde nog te relativeren maar..."
Ik zit op het toilet en maak mijn veters los.
"Hoe lang zou hij er al mee hebben rondgelopen?"
"Ach," zeg ik, "hem kennende? Al een hele tijd."
"Waarom moet hij het godverdomme allemaal kapot maken?" Ze gooit bruusk haar string naar een stoel die overladen is met haar en mijn kleren, over elkaar gedrapeerd zoals onze lijven soms 's ochtends wakker worden. Ik kan me niet herinneren dat ik gezien heb hoe zij zich boog - zoals ze altijd doet - om dat stukje stof over haar billen naar haar enkels te dwingen. Ik zag haar evenmin uit haar slip stappen als zoiets hoogpotig dat elke winter naar warme landen trekt. Ik voel me er verloren door, alsof iemand iets van mij heeft afgepakt. Ik ben hier van alles aan het missen, denk ik. Ik zeg het net niet hardop. Linda zit op de badrand en weent, een beetje dronken. Denk ik. Hoop ik. "Hij is wel eerlijk," zeg ik en ik heb onmiddellijk spijt dat ik dat gezegd heb. Iets in mijn stem leunt aan tegen bewondering. Dat is niet de bedoeling. Ik weet dat ik op zulke momenten beter even mijn woorden repeteer in mijn hoofd. Maar dan kan het nog slecht vallen. De weg tussen mijn hoofd en mijn mond is soms belachelijk lang.
Linda begint te roepen: "Goed van hem hé! Goed, jong! Goeie Luc!"
Het had iets heel pathetisch maar toch schoon. Iets om voor altijd op te slaan. Write-protected.

Ik probeer mijn droom te sturen. Het lukt maar half. Ik roep luid: "Vader?" Ik trek mijn ogen open en zie de overbuurvrouw met een bijl aan ons bed. Ik sluit mijn ogen en klamp me vast aan Linda. Ze denkt dat ik met haar wil vrijen. Mijn duim gaat tussen haar dijen, baant zich een klein beetje dieper. Is ze nat? Of is het gewoon zweet? "Niet frutselen," zegt ze slaperig, ze klaagt bijna. Ik ruik aan mijn duim en draai me weer om. De overbuurvrouw met de bijl staat niet meer aan ons bed. Ik kijk rond. Ze staat bij de boekenkast. Ze monstert onze boeken terwijl haar lippen voorzichtig nippen van een kop dampende chocolademelk.

De dagen daarna zijn vreselijk. We kunnen niet meer met elkaar praten. Ik probeer nog maar voel me al gauw besmet door Linda's afwezigheid. Ik ben er al lang mee opgehouden om mijn grenzen te bepalen ten opzichte van haar. Ik doe dus even afwezig, kijk even dromerig door de voorruit van de wagen wanneer we op weg zijn naar iets. Ik maak geen opmerking over die ene song van Leonard Cohen die zij keer op keer indrukt. Het enige wat ik probeer is de geheugentoets te vinden van de cd-speler zodat ze zich die beweging kan besparen. Ik moet iéts doen in die wagen. Zij kijkt kwaad wanneer ik het gevonden heb en mijn kennis probeer te demonstreren aan de hand van de compleet bijeengevouwen handleiding die ik terug vond in het handschoenkastje onder stapels cd's, aan flarden gescheurde stadskaarten en make up-spullen. Zij duwt het boekje opzij zonder iets te zeggen. Ik kijk kwaad. Leonard Cohen sterft uit, met zijn begeleiders de dieperik in. Ze duwt weer op de twee pijltjes die naar links wijzen om te demonstreren dat dat nijdige gebaar bij haar triestheid hoort. Ik beeld me in dat ik Cohen hoor grinniken net voor hij het refrein inzet. Het helpt een beetje als ik me voorstel dat zij in hem een medeplichtige heeft gevonden. 's Avonds in bed - wanneer ze vermoedt dat ik ben ingeslapen - voel ik dan eindelijk haar armen om mij heen, alsof ze mij beschermen wil voor al die onnoemelijkheden die louter in je slaap mogen gebeuren. Het is haar manier om voor zichzelf duidelijk te maken dat ze zich verloren voelt. Ik knor wat en val tevreden in slaap.

"Beeld jij je nooit in dat ik met hem..."
"Constant," zeg ik, "het gebeurt vanzelf. En ik sta dan wijdbeens boven jullie met een vlammenwerper, klaar om die kleverige schaduw weg te branden die over jouw buik en dijen kruipt."
"Jij met een vlammenwerper..."
"Ja... en op mijn hoofd een legerpet met zakdoek zoals die mannen van het Vreemdelingenlegioen. En ik heb ook een trompet bij me waar ik maar niet van afgeraak, net zoals Lambik in het Zingende Nijlpaard."
"Dat staat symbool voor het noodlot of wat?" Haar schaamte trekt weg. Haar ogen lichten op.
"Nee," zeg ik, "dat is simpelweg voor te lachen."

Luc laat niets van zich horen. Maar dat had hij ook aangekondigd. Na twee weken begin ik hem vreselijk te missen. Ik maak me kwaad, kruid de pasta te heftig. Linda wil er niet van eten. We bestellen pizza. Ik open een fles wijn en zij zegt dat ze me zo graag ziet, zo graag dat ze het niet kan beschrijven. Ik zeg dat ik aan haar zie dat ze getwijfeld heeft.
"Ja."
"Ik ben Luc niet."
"Nee," zegt ze, "jij bent mijn man."
"Ik zou je kunnen loslaten..." begin ik, "...mocht je dat willen, mocht het niet anders kunnen."
"Waarom zeg je dat nu!" brult ze.
Ik zet de fles neer en ga naar het toilet. Daar komen de tranen vanzelf. Even later klopt ze op de deur.
"De pizza’s zijn er."
Ik doe de deur open, probeer haar ogen te ontwijken. Ze laat de dampende, kartonnen dozen vallen en pakt me vast. Ik duw haar weg. De rijkelijk van gesmolten mozzarella voorziene pizza’s kleven tegen de vloer.
"Achthonderd ballen naar de kloten," zeg ik.

"Ik wil dat je erbij bent wanneer ik hem bel."
Ik haal mijn schouders op. "Ik vertrouw je."
"Maakt niet uit, ik wil dat je hoort wat ik tegen hem zeg."
"Gebruik dan de vaste telefoon en zet de microfoon op. Ik wil ook horen wat hij zegt." Ik wil meer dan dat maar weet het niet te verwoorden zonder dat ik vreselijk kwaad word. Ze drukt zijn nummer. Na drie keer bellen kickt zijn antwoordapparaat in. Hij is er niet. Hij zit tot de 26ste in Amsterdam. We kunnen hem daar ook bereiken. Hij geeft het nummer twee keer.
"Ik bel hem daar niet."
"Waarom niet?"
"Ik voel dat ik dat beter niet doe."
"Beter niet doe? Ben je vergeten wat die kloot ons heeft aangedaan?"
"Wat hij ons heeft aangedaan? Jou wil hij niet, hij wil mij..." Ze onderbreekt zichzelf, bevriest, kijkt me met wijdopen ogen aan. Ik begin te lachen.
"Je weet toch wat ik wil zeggen." Ze lacht een beetje. "Je weet hoe egocentrisch ik ben. Ik bedoel daar niets mee."
Ik blijf lachen. Ik wil een muts met belletjes en gepunte muiltjes. Ik wil een bord rond mijn nek met "Lul" erop geschreven in kalligrafie.

Ik had geen problemen met mijn pyjama indien ik beneden mocht blijven. Dat kledingstuk van spons of stevig katoen versierd met zinkende scheepjes en guitige konijnen zorgde immers voor opgetogen kreten van alle aanwezigen. Ik werd geknuffeld en op vrouwendijen gezet en ik kreeg dingen in mijn oor gefluisterd door een stem verzwaard met een aantal experimentele wodka- en whiskycocktails. Gedeeld werd ik, iedereen wou een stukje huid van me voelen, de haren in mijn nek kriebelen, mijn ribben tellen of heel af en toe in mijn oor bijten als niemand echt keek of te dronken was. Moeder liet begaan en ze lachte harder met de dingen die ik zei of de antwoorden die ik gaf om vreemde vragen. Kneedstof voor een plastiekbom. Na een tijdje had ik het gevoel dat ik niet de enige was die werd gedeeld, hoewel ik geen woorden vond om dat te beschrijven of begrijpen. Het was constant geven en genomen worden voor heel die bende. Ik wist niet hoe het in zijn werk ging maar was er zeker van dat het gebeurde. Ik werd een detective in pyjama, mijn oren immer gespitst. Mijn vader zei: "Onze Donald heeft alles gezien en alles gehoord." En iedereen knikte glimlachend. Ik dacht: "Ik màg het weten. Ze vinden het goed dat ik zie wat ik zie." Ik zag en wist niets. Ik dacht dat een stijve er voor zorgde dat je harder kon pissen (wat ik vruchteloos voor mezelf probeerde te bewijzen). Mijn moeder, jaren later toen ik vroeg hoe het toen eigenlijk echt was: "Ge hebt er geen gedacht van." Toen ik aandrong, keek ze weg.

Uiteindelijk, na vier weken, streelt Linda mijn buik in het midden van de nacht. Ik draai me naar haar toe en we beminnen elkaar hulpeloos. Ik vermoed een laagje magnetronfolie tussen haar en haar hitte. We slapen in of doen alsof en 's ochtends trap ik in de toegeknoopte condoom als Buster Keaton. En even deadpan als hij hef ik mijn voet op, kijk naar wat er aan de zool kleeft en stap naar de vuilnismand met een gestrekte arm, het rubberen ding tussen mijn duim en wijsvinger gekneld.

"Bel hem," zeg ik aan de ontbijttafel, "hij is terug."

Linda wil niet bellen. Ze wil gaan shoppen. Ze wil nieuw ondergoed voor mij kopen en voor haar dat strakke truitje dat ze ergens in een etalage heeft gezien en waar ze de laatste dagen af en toe dromerig over begint. We drinken koffie in een taverne waar vaders, moeders en hun balorige pubers wachten op iets, een ober die een bord laat vallen, een klant die te dronken is voor een zaterdagnamiddag; iets dat in de groep kan worden gegooid als gespreksonderwerp. Die avond drinken we weer te veel. Niemand vraagt waar Luc uithangt maar Linda is nog maar net een pakje uit de sigarettenautomaat gaan halen of de barman zegt tegen mij dat ik er moe uitzie. Voor het echt onnozel wordt, kussen we bekenden en keren huiswaarts. Er staat nog een fles champagne in de koelkast die ik heb gekregen voor een verjaardag. We openen de fles, ik kijk naar haar en trek mijn kleren uit. It's just one of those things, zing ik. Ik weet dat mijn libido stuitend is, het verzwaart me. Het is laag zweefvliegen met je buik en geslacht bloot, scherend over hoog gras zonder ooit de grond te voelen. Het kittelt maar uiteindelijk wil je neer, ooit eens.
"Dat strak nieuw ding en die plakkousen mag je aanhouden," fluister ik, "maar de rest moet op de vloer."
"Oei, daar is die hese stem weer van hem." Ze stapt uit haar schoenen, laat haar rok op de grond vallen. "Comme ça?" Ze weet dat ik wegkijk als ze exact doet wat ik vraag. Ik kruip naar haar toe, meer een verwende beer dan een panter. Ik kus de binnenkant van haar dijen, lik boven de elastiek van haar kousen. Ze grijpt naar haar gsm en toetst een nummer in. Ze vraagt aan Luc of we hem storen. Ze zegt dat ze niet weet wat ze met hem moet beginnen. En dat ik het ook niet weet. Ze zegt dat we op het punt staan om met elkaar te vrijen. Ze giechelt een beetje zenuwachtig. Nee, zegt ze, hij mag haar niet verkeerd begrijpen. Ze belt hem niet om hem pijn te doen. Alhoewel. Ze giechelt weer. Ze zegt dat hij ons moet vertellen wat we met elkaar moeten doen. Tijdens de stilte die daar op volgt, bijt ik haar. Uiteindelijk zie ik haar knikken, ze murmelt iets. Ze buigt zich over mij en neemt mijn geslacht delicaat in haar mond. Ze zoekt mijn ogen, houdt haar gsm tegen haar oor gedrukt. Iemand gomt me uit met een steekmes. 's Ochtends zie ik slaperig naar de proppen closetpapier en kloddertjes haar rond het bed, een halflege fles champagne, een donkere plek op de houten vloer, een asbak overvol met sigarettenfilters, een haarborstel waarvan het uiteinde lijkt besmeurd. Mijn lijf kraakt, mijn hoofd bonst. De gsm doet een schril vogeljong na om aan te geven dat er een sms is binnengekomen. Ik druk op een toets. "Goeiemorgen, Lieve Schatten. Check de voordeur." Ik maak Linda wakker. Wanneer ze opstaat, merk ik dat ze geen schaamhaar meer heeft. Ze trekt iets aan, gaat de trap af en komt terug met een zak pistolets. Ze zijn nog warm. Het zijn pistolets van Van den Eynde. De beste bakker van de stad, beweert Luc.
"Wat voor een reply moeten we daarop geven..." Linda laadt de pistolets uit.
"Merci?" probeer ik.

De dingen die mensen doen wanneer ze elkaar graag zien. De klauwen die je uitslaat. De gedachten die je terplekke verzint. De scheuren die je achteloos veroorzaakt. De beelden die niemand in jouw plaats wil bewaren.
"Nu nog een refrein en je rolt de top-40 binnen."
"Het is niet de bedoeling dat je dit leest, Linda." Ik duw het scherm van mijn laptop naar beneden.

Vijf weken later. Linda is de stad in, samen met Luc lingerie gaan kopen. Hij wil dat ze dat aantrekt wanneer we vanavond vrijen.
"Jezus, man."
"Dat is al de derde keer dat je dat zegt, Jonas."
"Godverdomme, Donald."
"Wat?"
"Gewoon... godverdomme."
"Ik heb het onder controle."
"Godverdomme, jong."
"Je hebt er geen gedacht van. Jij weet niet wat dat is... een huwelijk."
"Jamaar... nee, laat maar... godverdomme."
Misschien moet ik mijn vrienden er maar niet in betrekken.

Luc belt me soms op om te kunnen praten. Hij heeft het moeilijk met praten, maar ik heb hem al gezegd dat ik het daar ook lastig mee heb (ik moest een lachstuip verdringen toen ik dat aan de telefoonhoorn toevertrouwde). We spreken af voor een tête-à-tête. Ik heb schrik, zegt hij. Hij heeft schrik om alleen achter te blijven, hij droomt dat hij afscheid moet nemen van iedereen zonder dat er nog iemand echt interesse in hem heeft. "In mijn droom schenken ze me een beleefd glimlachje, hoewel ze weten dat ik dra zal verdwijnen. Ik lijd aan een onafwendbare ziekte."
"Oei."
"In mijn droom, Donald. Niet echt."
"O."
"Ik moet dan denken aan mijn kat. Ik was eens een nacht naar de Ardennen. De volgende morgen keer ik huiswaarts en ik vind ze aan mijn veranda. Dood, met een uitgekotste haarbal naast haar." "En je hebt dat moment niet met haar kunnen delen. Je was er niet..."
"Doe niet zo kloterig."
"Vroeger was je scherper, Luc."
"Machozwijn."
Linda komt het café binnen. "Ik dacht dat ik jullie hier zou vinden." We zitten in een lichtcirkel. Ik voel iedereen kijken. Weten ze iets? Heeft Jonas zijn mond voorbijgepraat? Het kan me niet veel schelen.
Ongevraagd staat de barman aan ons tafeltje met drie glazen champagne. We toasten op de lente.
"Laat ons samen iets gaan eten," zeg ik.
"Niet vanavond," zegt Linda.
"Nee Donald, dat was de afspraak niet. Nog een glas en jullie gaan naar huis. Ik kus jullie dan hartstochtelijk..."
"Ja..." zegt Linda.
"...en we zien elkaar morgen op die rommelmarkt in de oude feestzaal."
"Ah," zeg ik.
"Ik heb oesters gekocht." Linda kijkt naar me, zo verliefd. Ze heeft die knock 'm dead-rode lippenstift op en haar ogen lijken nu wel helemaal wit.
"En kijk eens wat ik hier heb." Luc haalt uit die belachelijke versleten rugzak van hem (zwart, met een logo van Pizzahut erop gekleefd) een fles Italiaanse champagne boven. "Surprise!" lacht hij.
Ik geloof niet meer in toeval. Alle bewijzen geraken uitgeput.

Mijn vader nam polaroids van zijn erectie, schreef brieven aan vrouwen, tjokvol gevuld met wanhoop maar nooit verzonden, legde een schatkamer aan waarin hij al zijn lusten bewaarde. Ik had altijd al een geheim vermoed en het was bijna teleurstellend toen ik ontdekte dat dat geheim bestond, dat hij er jaren lang energie in had gestoken. Dat hij een signaal uitzond dat ik ontving nog voor ik wist wie de zender was. Al die sluiksheid van hem zonder te weten dat zijn zoon alles al wist, met of zonder bewijzen. En ik die noodgedwongen met mijn gat bloot loop. Mijn duistere kant maar tegelijk ook mijn verliefdheid die ik met een lichtjes beschaamde glimlach draag: iedereen mag het lezen. Ik verzamel beelden van Jezus en zijn Heilig Hart en ik vertel elke bezoeker dat ze mij moeten helpen herinneren aan mijn ambitie. Ik kan niet zwijgen, zou niet weten hoe ik iets moet verbergen. Ik ben Donald en ik ben getrouwd met Linda. Zij heeft geen schaamhaar meer maar niets werd me getoond dat ik al niet wist. We vrijen met elkaar, gedirigeerd door een stem die ik nooit te horen krijg. Soms stoot ik diep in haar en hou tegelijk haar billen open terwijl zij kreunt in haar gsm. Wij hebben al van alles meegemaakt maar van de liefde weten we nog steeds niets. En dat is nog maar het begin.


Lees meer