FIRST WE TAKE MANHATTAN

Berg en Dal

We kwamen gelijk aan. Alleen waren Męmę, mij'zuster en ik tevoet gekomen langst de Wijkhuizen en langst dat afgelegen kot van Waar Kreulleke, en zo door den bos naar de plaats van 't onheil. Zij daarentegen waren daar in ne zwarte glanzende auto. Ik dacht nog «Da's van die mensen hun trouwfeest», maar terna hemme ze mij verzekerd dat de vorst en zijn vorstin « altijd in zulkeen prachtigen wagen rijden». 't Akkoord, die hadden ook recht op hun wittebroodsweken. En dat was toch heel sjiek zeker dat die daarvoor helemaal tot bij ons - witloofboerkes - in 't Lemmeken gekomen zijn, ę ge'ucht, nen uithoek, ę gezwel, ne steenpuist, vastgekoekt aan dat onooglijk dorpke Berg.

Ja, daar had zich op Assewoensttag, 15 februari 1961, omstreeks vijf minuten na den tienen 's morgens… Ik kon toen nog niet schrijven, maar ik weet da'nog goed. Ik speelde op den trap, 'eelemaal boven. En da'was ne klop! Ik had just mijne kop tussen de spijlders van den trap gestoken. Julleke den elektricien is nog moeten komen om mij te 'elpen eruit te trekken. Nog ę geluk da' kik daar ni inzat, in die witlooflaag in 't Lemmeke. Want daar is daar ne jongen -van Berg, Lemmeke- zijn 'oofd kwijtgeraakt. Hij was bezig witloof aan 't «langen». Zijne helper, daarover hebben ze in de gazet geschreven dat'ij zwaar gewond was. Wij hebben achteraf gezien dat'ij zijn been kwijt was.

De koning en de konigin waren er ook niet goed van, ze zagen nog ę bekke bleekskes. Maar dat kan o'k geweest zijn van den dag tervoor: Saint-Vanlentin. In alle geval, de koninging, 't arm schaapke, agnus dei, weende bittere tranen. Het was de ergste ramp uit de Belgische luchtvaartgeschiedenis. Een Sabena Boeing uit New-York was daar op die rampzalige plaats -"'t Lemmeke"- neergestort. 73 doden: 11 bemanningsleden, 61 passagiers (waaronder de'eele Amerikaanse 'ockeyploeg - Daar hadde'wij nu nog nooit van ge'oord!) en wie da'da'da'ook dood was was diene schone jonge kaddee uit Berg, Lemmeke.




Innovation

Door het roestig dakraam zag ik die middag aan de horizon een nooit eerder geziene rookontwikkeling.
Sommige bronnen zeggen 13u20, anderen 13u30. Officieel vielen er 325 doden, volgens anderen slechts 323. Voor we ons overgeven aan gissingen en interpretaties, en sommigen misschien ronduit gaan ontkennen dat het ooit gebeurd is, zeg ik dat de Brusselse brandweer op maandag 22 mei 1967 telefoon ontving. Een verkoopster van de afdeling kinderkleding meldde problemen op de eerste verdieping van het oudste en grootste warenhuis van het land "A l'Innovation". De vrouw had een brandlucht waargenomen en even later in een opslagruimte een grote vlam gezien, en vroeg of de heren haar nu wilden excuseren, ze moest dringend inhaken, de vlammen verspreidden zich met een ongelofelijke snelheid.

Ik kan het niet meer beschrijven.

In die dagen bleef de inkt van de dagbladen makkelijker aan je handen kleven. Beverige camera-beelden in zwart-wit. Vergeefse reddingspogingen. Te korte ladders, touwen, geďmproviseerde springzeilen…

Ongeveer 300 mensen zaten in het restaurant op de derde etage. Eerst verwarden ze het korte ononderbroken brandalarm met het einde van de koffiepauze van het personeel. Gelukkig was het maandag. Op andere dagen was het drukker.

Slechts moeizaam kon de brandweer in de nauwe straatjes manoeuvreren. Geparkeerde wagens moeten worden weggesleept. En het was met de grootste moeite dat de politie de laaiende zee van omstanders kon bedwingen.

13u40 -en daar is iedereen het over eens! Achter alle ramen zag men vlammen. Ze sloegen uit de bovenste verdiepingen. Gitzwarte rook vulde de ruimten. De meesten stikten. Na enkele minuten. Sommigen werden onder de voet gelopen, vertrappeld. Mensen trachtten te ontkomen via de stilgevallen roltrappen of hesen zich op de smalle richels van de daklijsten in afwachting van de brandweer. Anderen probeerden de dichtgespijkerde ramen open te krijgen of renden het donkere doolhof van gangen in, een gewisse dood tegemoet.

Vertwijfelde dames, handtas tegen de borst geklemd, sommigen knepen de ogen krampachtig dicht, anderen met wijdopengesperde ogen, allen sprongen, in de gapende diepte. Vlammen schoten metershoog de lucht in. Afgeladen boodschappentassen smakten tegen de keien van Brussels' bekendste winkelstraat, hier en daar hing er nog wat mens aan. Soms brak het koetswerk van geparkeerders auto's de val enigszins. Tientallen ziekenwagens reden af en aan naar ziekenhuizen in de buurt. Van de pastoor van de nabijgelegen Finis Terrae-kerk kreeg iedereen het Sacrament der Stervenden.

Binnen liepen mensen rond als brandende toortsen. Buiten kon men niets anders meer doen dan luisteren naar de kreten en het gillen. Het vuur bezatte zich aan plastics, boenwas, detergenten, nylon, textiel, hout, butaangas, etc. Vooral op de bovenste verdiepingen was het een laaiende vuurzee. Het bluswater kon er niet bij. Gretig likten de vlammen de feestdecoratie van sterren en banieren van kunststof, die deel uitmaakten van de versieringen van de pas begonnen Amerikaanse week…

Dit alles, dit Pompei naast Koekelberg, de Titanic die wegzonk in de vlammenzee, heb ik aanschouwd. Vanuit mijn roestige dakvenster had ik het beste zicht op de gigantische rookwolk. Waar rook is vindt men vuur.

Drie decennia later weet ik nog altijd niet van waar de rook kwam.





didi.deparis@chello.be




Lees meer