|
In het Italiaanse restaurant ‘Rimini’ in de Parijse wijk Montmartre is een oorlog aan de gang die je niet ziet maar wel proeft. Hij woedt tussen de ober en de kok. Wanneer de oorlog begonnen is, weet niemand meer. Sommige mensen komen er speciaal voor naar het restaurant. De kok lijkt aan de winnende hand. In zijn keuken laat hij alles aanbranden terwijl de klachten neerregenen op het arme hoofd van de ober. Ook mijn lasagna komt op tafel met een krokant zwart laagje. Ik zeg dat dat zo niet gaat. Hij trekt zijn schouders op en sloft er mee terug naar de keuken. Hij heeft bonkige schouders en grijs krulhaar op zijn onderarmen. Zijn gezicht van oude schoenen staat op verlies. ‘Dit is een kosjer Italiaans restaurant’, verklaart een joodse vrouw aan de tafel naast mij. ‘Maar’, verzekert ze met klem, ‘voor de smaak maakt dat geen verschil.’ ‘Voor de kleur wel’, zeg ik. Mijn gezelschap, een aantrekkelijke pianiste van Poolse afkomst, giechelt een beetje. In de verte komt de ober tot zelfontbranding en roept tegen een verbouwereerde klant: ‘Wil je gesneden pizza? Gesneden, ja?! Hier! Hier heb je gesneden pizza!’ Met een mes hakt hij woest op de pizza in. Tegen de tijd dat mijn eten weer uit de keuken komt, heeft de pianiste het hare al lang op. De lasagna heeft nu wel de voor lasagna courante kleur, maar is koud van binnen. Aan andere tafels zwelt langzaam protest aan tegen de verbrande, halfgare of zouteloze gerechten. Ik klaag niet en eet me een weg rond de koude kern. Als de meeste gasten zijn vertrokken, komt de kok slank en grijs en souverein zijn keuken uit. Tevreden overziet hij het slagveld. Met zijn jas in de hand wil hij de zaak verlaten, maar staat verrast stil bij onze tafel. Zijn ogen rollen bijna uit zijn hoofd bij het zien van de pianiste. ‘Mevrouw, mag ik vragen waar u vandaan komt?!’ Ze zegt dat ze in Nederland woont, in Amsterdam. ‘Als ik het niet dacht! Ik heb een vrouw gekend zoals u, ook uit Nederland! Ah, Ingrid! Ingrid was gróót!’ Hij tekent Ingrid in de lucht met Barbapapa-achtige contouren. Voorzichtig informeert de pianiste of groot goed is. ‘ Het beste!’ Hoewel hij boven de vijftig is, onderhoudt hij zijn verleidingsmechanismen grondig. Zijn ogen glanzen vochtig en hij is zichtbaar aangedaan door de herinnering aan Ingrid. Maar hij herneemt zich. Hij merkt nu ook mij op en wijzend op de ruïnes van mijn lasagna vraagt hij: ‘Niet lekker?’ ‘Niet gaar.’ ‘Dat kan, dat gebeurt wel eens.’ Achter hem bliksemt de ober langs. De kok trekt een keppeltje tevoorschijn en moffelt hem zorgvuldig op zijn achterhoofd. Zijn afscheidskus voor de pianiste is een beetje te intiem voor de gelegenheid. Vlak voor zijn halfopen mond de hare raakt, weet ze nog net haar hoofd weg te draaien en de kus landt op haar slaap. Zwierig en minzaam lachend verlaat de kok het restaurant, de warme avond in. - Tommy Wieringa, © 2001 |