De kunst van het beledigen

· Beledigen, volgens Van Dale: kwetsen (door woorden of daden) in zijn eer of eergevoel, verongelijken, onheus behandelen. synoniem: krenken.

Over 'de kunst van het loven' zou niet snel een culturele manifestatie worden georganiseerd, zoals onlangs bijvoorbeeld in Tilburg geschiedde (met als toepasselijk decor: een door-en-door-gezellige Brabantse koffietafel) en in Amsterdam een dag na de kamerverkiezingen. Blaam spreekt veel meer tot de verbeelding dan lof. Leedvermaak is hier ongetwijfeld de voornaamste reden voor.

Iemand die 'de kunst van het beledigen', zeg maar de polemiek, beheerst, slaagt erin te imponeren. De tegenstander gaat formidabel onderuit, het publiek verkneukelt zich. De huiver blijft, want de polemicus hanteert de pen als een vilmes waarmee hij niet alleen zijn vijand maar ook overigen de keel over kan snijden. Fairness heeft betekenis in de sport, niet in het wreedaardige bedrijf waaraan een polemicus zich wijdt.

De wijze waarop een gevat schrijver die terug wil slaan zijn exircitie ten uitvoer brengt, is zo oud als de kunst van de retorica. Hij smijt degene door wie hij zich gekrenkt voelt diens woorden terug in het gezicht, in groteske uitvergroting. Hij gebruikt het wapen van de lens, gelijk de Puniërs in hun galeien om de zeilen van vijandelijke schepen in de fik te steken. Niet om een wetenschappelijke test uit te voeren, een assisenjury te overtuigen, of om een of ander paradigma te bewijzen.

In de kunst van het beledigen wordt überhaupt niet schappelijk geredeneerd of van gedachten gewisseld. Dat stadium is voorbij. De stellingen zijn betrokken. Het gaat er niet meer om de ander te overtuigen, het gaat erom te overwinnen. Sterker nog: te verpletteren. Thucydides schreef in zijn Peleponesische Oorlog over de drie motieven om ten oorlog te trekken: vrees, eigenbelang en eer. De motieven van de polemist om de strijd aan te binden zijn in feite dezelfde. Hij of zij is iemand met een buitenproportioneel eergevoel. Die persoonlijk alle belang heeft bij het leveren van een verbale krachtmeting. Al was het maar omdat hij gemerkt heeft dat hij zijn innerlijke angsten en onzekerheden en vooral zijn ingebakken wantrouwen en lichtgeraaktheid het beste al tierend en kwetsend van zich af kan reageren. In de verbale strijd hervindt hij zijn eigenwaarde. Het beledigen is voor hem geen ergerlijke bezigheid, maar een loutering die uit moet monden in een zege.

Het begin van iedere polemiek is in wezen dan ook dezelfde als van iedere oorlog: de persoonlijke krenking. De redenen daarvoor kunnen eindeloos zijn. 'Het is daarom maar het eenvoudigste een boek dat mij niet bevalt als een persoonlijke belediging te beschouwen,' schreef W.F. Hermans - de onovertroffen meester van het katten en klauwen - in zijn bundel polemieken uit 1964, Manderijnen op zwavelzuur.

De kunstenaar die door zoiets kleins al persoonlijk beledigd is, heeft redenen te over om de kachel van zijn wraak te laten ronken. Hij zit nooit zonder brandstof. Het minste of geringste dat hem niet bevalt, is genoeg voor een cavalcade aan verontwaardigde epistels. H.J.A. Hofland omschreef Hermans als 'een tovenaar met een peilloze voorraad aan telkens nieuwe bliksems in zijn repertoire'. Zelfs in zijn meer gevoelige momenten, kon 'het beest uit Haren' genadeloos uit de hoek komen. Zoals toen hij een van zijn weinige intimi toevertrouwde: 'Ik ben een man die makkelijker medelijden kan hebben met een vrouw dan met een man. (…) Een vrouw is toch eigenlijk een soort groot huisdier, je kan er niet echt kwaad op worden.'

De voleerde beoefenaar van het beledigen, is een eenzaat en een absolutist. Hij heeft op zijn terrein hoegenaamd geen vrienden, vele vijanden. Hij heeft niet alleen de moed om ondanks zijn behoefte aan erkenning alleen te staan, in splendid isolation, het is zelfs zijn doel. De polemische alfawolf duldt niemand naast zich. Zijn orde is die van de artistieke Almacht. Het gaat hem er eigenlijk niet eens om wie er volgens de letter der nuance gelijk heeft, maar om wie de meest verpletterende indruk achterlaat.

De winnaar van een polemiek krijgt uiteindelijk altijd het gelijk aan zijn zijde, ook als hij dat feitelijk niet heeft. Zelfs met alle gelijk van de wereld blijft de verliezer van een polemische twist beteuterd achter als de loser en de pispaal. Of hij zijn kleine prive-oorlogjes wint hangt af van de mate waarin hij schijnbaar achteloos wonden weet te slaan. Hoe diep hij de punt van zijn pen in vitriool heeft weten te dopen, hoe doordrenkt zijn tong is van arsenicum. En vooral: hoe sluw en schrander hij is van karakter, en hoe opgeblazen zijn ego.

Gelijk krijgen via beledigen = macht veroveren met verbaal geweld. De artistieke querulant is in zijn bedrevenheid tot het aanvallen van kopstukken per definitie een revolutionair; een 'verbal streetfighter'. Het gaat hem er niet om de gevestigde orde te verdedigen of aan te schurken bij bestaande coteriën. Het gaat er hem juist om de heersende kaste te kakke te zetten, te ridiculiseren oftewel - om een treffende term te gebruiken uit de wiskunde - tot nul te reduceren.

De kunstenaar van het beledigen is nooit scheldkanon alleen. Hij is tevens iemand die notie heeft genomen van Baltasar Gracian's Handboek der wellevendheid; hij bezit stijl, geslepenheid, een boosaardige spotzucht en jaloersmakende woordenschat. Hij is een vorser met evenveel linguistisch als dramatisch inzicht, die weet dat een op de grond gesmeten babyluier in het huis van een ex-geliefde veel harder kan stinken als hij het heeft over 'een keukenvloer bezaaid met gastro-enterische derrie'. Die de televisie aanspreekt met 'treurbuis', en Internet omdoopt tot `die vuilniskoker van deze planeet' (Alain Finkielkraut). Die weet dat de lompe aanval het minste effect weet te sorteren. En die daarom zijn tegenstanders ook via sardonische en vileine trucs te lijf gaat. Met trefzekere volzinnen die als winkelhaken in het besef van tegenstander en omstanders blijven hangen.

Humor - door Fransen ook wel 'la tendresse de la peur' genoemd - is de eucalyptusbalsam die de kunstenaar van het beledigen zijn slachtoffer en publiek onder de neus wrijft om de kwade reuk van de eigen pretentie te verdrijven. Want, zoals Nietzsche ooit schreef in een brief aan zijn vriend Köselitz: 'Wie het eigen leven legitimeert op grond van creatief werk wordt goed beschouwd een zeer veeleisend soort mens: men verleert met name om het anderen naar de zin te maken. Men wordt te serieus en de mensen voelen dat.'

Hyperbolen, groteske vergelijkingen, understatements, een perfecte timing… dit alles behoort tot de standaarduitrusting voor iedere polemische confrontatie op niveau. In de kunst van het beledigen is het toegestaan, zelfs aanbevolen, om geheel tegen de krijgsregels van Confucius in, een kanon in stelling te brengen tegen een zoemende mug. Al hoeft de artillerie natuurlijk niet voortdurend te bulderen. Ook de taktieken van wat Russische officieren 'maskirovska' noemen, zijn van harte aan te bevelen. De grofste belediging kan zich verbergen achter de meest beleefde formulering.

De pijpen van zijn instrument zijn aangesloten op de gesteldheden van zijn gemoed: woede, razernij, schaamte, verlegenheid, neerslachtigheid, minachting, trots, koppigheid. Zijn register omvat tonen die contrapuntisch tegen elkaar kunnen worden uitgespeeld. Zijn stem kan zowel snerpen als flemen, galmen als fluisteren. Zijn tongwerk kan zowel robuust als ingehouden klinken, als kraken en piepen. Hij heeft er plezier in zowel de partij te spelen van nar als van koning, heiligschenner en zedenmeester, onwetende en allesweter, vrijbuiter en Groot Inquisiteur, gekastijde en kastijder, slachtoffer en slachter.

De kunstenaar van het beledigen houdt van de polemiek, omdat het veel meer dan de andere literaire disciplines kans biedt op volwaardige fysieke en mentale voldoening. In de confrontatie is hij de topschaatser op het ijs en de haai in het water; kan hij zowel boven de ander als zichzelf uitstijgen, zijn pen in het lichaam van zijn tegenstander planten en het moment van triomf beleven waarop hij kan zeggen - gelijk Robert Duval in Apocalypse Now, met de kin omhoog en een cowboyhoed op zijn arrogante gelijkhebberige kuttekop -: 'mmmm…I lo-o-o-ve the smell of napalm in the morning'. It smells like…victory!'

De polemist is een gecompliceerd om niet te zeggen een verknipt persoon, een zeurpiet met een gekerfde ziel, en een door diepe littekens gehavend karakter, die het vernederen van anderen nodig heeft om zich beter in zijn vel te voelen. Het krenken is zijn angry fix. Hoe dieper hij anderen weet te kwellen, hoe minder hij zelf gekweld door het leven moet. Ongetwijfeld is hij, ad fundum, een onzeker en gevoelig mens. De diepere reden van zijn behoefte anderen (bij voorkeur collega's) te vernederen heeft misschien niet eens direct met zijn diatribische aanvallen te maken; eerder met heikele gebeurtenissen uit zijn vroegste verleden. Zoals bij veel sadisten is zijn behoefte gegroeid vanuit een ervaring die hij keer na keer moet naspelen om het trauma teniet te doen. Het patroon van zijn ruzies is steeds gelijk: de polemist positioneert zich eerst als 'geslagene', en richt zich vervolgens op als de 'dominator' met de zweep.

De polemicus voelt geen wroeging over het leed dat hij berokkent bij zijn tegenstander. Hij is een misanthroop die zijn rancune jegens zijn vijanden rechtvaardigt met het inzicht dat die wrok uiteindelijk evengoed hemzelf betreft. Dat zijn beledigingen niet meer zijn dan een filosofische boemerang. De kunstenaar van het beledigen is een egotist, en op geen enkele manier 'aardig'. Dus ook niet rechtvaardig. Dat hoeft ook niet; in de kunst is er geen gelijkheid voor allen, geen jurisdictie zoals die in het gewone leven staat verankerd in de grondwet en het wetboek van strafrecht. In de kunst geldt het recht van de sterkste. Als burger op straat moet de kunstenaar zich correct gedragen, maar binnen zijn stiel mag hij tekeergaan als een paranoide dictator of een sadistische psychopaat.

Verwacht van een polemist ook niet dat hij consequent is. Natuurkundigen en boekhouders moeten dat zijn, consequent, voor ambitieuze literatoren is het de dood in de pot. De Amerikaanse bard Walt Whitman kreeg ooit tijdens een interview het verwijt naar zijn hoofd geslingerd dat hij zichzelf tegensprak. Waarop de dichter fijntjes antwoordde: 'Do I contradict myself? Well, I contradict myself. It is posible that I contain multitudes, you see…'

De polemist is van alle fronten thuis, en daarom zal hij zich uitstekend kunnen vinden in de wisecrack van de schilder Picabia: 'onze hoofden zijn rond, opdat ze alle kanten op kunnen rollen'. Hij schreeuwt moord en brand over de geringste vernedering die hem is aangedaan, en overtreft zijn tegenstander prompt honderdvoudig in het krenken, smaden en beschadigen. Hij eist respect, door te verachten. Hij wil bewonderd worden, door te honen. Hij verdient zijn eigenwaarde, door een ander door het slijk te halen. Hij maakt zich tomeloos kwaad over onrecht dat zijn persoontje is aangedaan, en veegt ondertussen zijn reet af met andermans waardigheid. Hij is, kortom, een begenadigde maar onuitstaanbare klootzak, een hypocriete tyfusleier, een esothere windbuil en een zeiklijster, een leipe op zijn knobbelige pik getrapte exhibitionist, een opgeblazen gifkikker, een rochelende azijnpisser met prostaatkanker of zoals ze in Oss zeggen: 'een smerige koelotewipper', hij is een scrofuleuze ploert, gemene kuthufter, rimpellul, achterbakse pikzuiger met syfilus, een leptosome kippebout en salmonella-zeiksnor van de eerste orde. Hij is de onrechtvaardigste maar ook de meest gewiekste wreker in de naam van de kunst. Hij is de onredelijkheid zelve. Een doorgedraaide treiteraar en sociopaat, een asociale plastic lul met paardehaar, een pestilent en knorrig hangbuikzwijn, een verbitterde lamzak met een rattekop, een sicofante fielt en femelaar, een seniele afgetrokken snor. En als de kunstenaar in kwestie een vrouw is, is ze minstens een nuffig kreng, een kakelwijf, een hoer van Babylon, een gebochelde trol, een fokzeug, een smoeskont, drollenmaagd, een stinkend secreet, een afgebakken omelet, een uitgerookt chagerijn, een infame trut en intellectuele pissebed.

Wilbert Smulders omschrijft in zijn artikel 'De rechten en plichten van een polemist' uit de bundel Apollo in Brasserie Lipp; bespiegelingen over Willem Frederik Hermans (De Bezige Bij 2001; pag.164), het polemische geweld in de replieken en aanvallen van de licht-ontvlambare professor-literator uit Groningen, als een 'symbolische vorm van bloedvergieten, verricht met het oogmerk te reinigen (…), een reinigingsoffer'. Ten aanzien van het gehak en getier en gehoon, de Dionysische wraakorgie die Hermans op zijn lezers loslaat in Mandarijnen op zwavelzuur, maakt Smulders de vergelijking met een volgepakte tempel waarin de priester met een mes een offerritueel volvoert en een persoon of dier slacht op het altaar.

'Door dit te doen pleegt de priester geen misdaad,' schrijft hij. 'Hij maakt alleen maar een teken, door middel waarvan hij op rituele wijze laat zien waar het leven eindigt en de dood begint. Wat buiten de tempel taboe is, wordt erbinnen als een toneelstuk uitgevoerd, niet om het taboe te doorbreken, maar juist om het levend te houden. Iedereen die aanwezig is, huivert bij het zien van het bloed, maar merkwaardigerwijs voelt de gemeenschap zich door het bloedvergieten tevens gesticht.'

Zowel de polemicus als zijn publiek ervaren het met het offermes de keel overhalen van een persoon van reputatie, als een fascinerend en louterend schouwspel. Hoe grover het verbale geweld, des te groter de voldoening. Misschien dat dit ook het immense succes verklaart van een cabaretier als Youp van het Hek, die in zijn voorstellingen een spervuur van beledigingen afvuurt op zijn publiek. Hoe harder hij de zaal aanpakt - en dan vooral enkele zondebokken op de voorste rij - , hoe voldaner het publiek naar huis gaat. Op de stoep voor het theater zendt de door Youp ingehuurde accordeonist de mensen de nacht in op de spottende tonen van Brel's 'Les bourgeois, c'est comme les cochons, plus ca devient vieux, plus ca devient bête…'

De tempel waarbinnen de beoefenaar van de polemiek zijn offerdienst opvoert, is niet alleen gewijd aan de erinyen van de spotzucht en de muzen van de belletterie. De kunstenaar van het beledigen is allicht een koleirische egomaniak, maar de betekenis van zijn plengoffer strekt uiteindelijk toch verder dan zijn opgepoetst blasoen. Verder ook, gelukkig, dan de aan splinters gehakte reputatie van zijn tegenstander. De tempel is vooral een heiligdom dat men betreedt uit respect en ter viering van de Vrije Gedachte. Een gewijde plek waar men erediensten kan bijwonen of op touw zetten voor het Vrije Woord, hoe scabreus en uitbundig of beledigend de gebeden ook mogen klinken.

Jeroen Brouwers, Rudy Kousbroek, Ischa Meijer, Hugo Brandt Corstius, Willem Oltmans, Tom Lanoye, Theo van Gogh, Herman Brusselmans, allemaal zijn ze wel eens voor de rechter gedaagd voor een van de misdrijven die het wetboek van strafrecht juridisch samenvat onder de noemer 'kwetsing' en 'aanranding van iemands eer of goede naam': smaad, smaadschrift, laster, eenvoudige belediging en lasterlijke aanklacht.

De vadsige Hollandse Koning van de Vrije Gedachte, Theo van Gogh, beledigt er al vele jaren onbeschaamd op los in zijn talloze columns en op zijn website 'De Gezonde Roker.nl' In politiek correct Nederland trapte Van Gogh op vele zere tenen. De allochtone medemens hoefde niet op een speciale behandeling te rekenen, en werd net zo grof bejegend als andere medelanders die Van Gogh aantrof op zijn oorlogspad. Favoriete epitheta waarmee hij moslimburgers bedacht: 'achterlijke mohammedanen, kut-Marokkanen, soepjurken, theemutsen en geitenneukers.'

In een zaak die in augustus 1997 diende, noemt Van Gogh Allah een lul. Verder provoceerde hij: `In hoeverre moet je blijven praten met gelovigen bij wie jij als eerste in aanmerking komt om voor hun gedroomde vuurpeloton de zegeningen van Allah te ondergaan.' De Raad van de Journalistiek oordeelde dat dergelijke uitspraken door de beugel kunnen, omdat ze zijn gepresenteerd in de vorm van 'een satirisch opgezette column, waarin overdrijven een stijlmiddel is.' De Kunst van het Beledigen dus.

Meestal volgt vrijspraak, maar niet altijd. Herman Brusselmans zag recentelijk nog de hele voorraad van zijn roman Uitgeverij Guggenheim (Prometheus 1999) uit de schappen verdwijnen. De Antwerpse modemaakster Ann Demeulemeester pikte het niet dat zij in het boek werd afgeschilderd als een 'dwergpoliep met puitogen' die bij monde van het hoofdpersonage 'standrechtelijk moet worden gefusileerd'. De zaak zorgde voor heel wat commotie.

Collega Tom Lanoye ging op de Vlaamse boekenbeurs rond met een petitie tegen het 'gerechtelijke censuurbevel'. Veel schrijvers steunden Brusselmans. "Toch is het geen censuur", vond de advocate Van Overloop. "Demeulemeester wil het boek niet laten verbieden, maar enkel die passages waarin ze uitgescholden wordt. Andere stukken, waar Brusselmans haar modeontwerpen 'zwarte vodden' noemt, hoeven er helemaal niet uit.'

In 2001 liet Fatima Elatik, allochtoon gemeenteraadslid van de PvdA in Amsterdam, in de Volkskrant noteren dat wat haar betreft opvoering van het toneelstuk "Aïsja" niet door hoefde gaan omdat ''t misschien wel moediger is het stuk niet te doen als grote groepen gelovigen erdoor gekwetst worden'. "Aïsja" zou in Rotterdam gespeeld worden en handelde over de grote liefde van de Profeet voor een negenjarig meisje, dat uit politiekcorrecte overwegingen op de planken twintig was gemaakt. Talloze mondelinge en schriftelijke dreigementen aan het adres van de regisseur verhinderden dat het kunstwerk in premìere kon gaan. Theo van Gogh plaatste daarop een advertentie in een landelijke dagkrant: 'Waarom zou een toneelstuk niet verboden mogen worden? Stem Fatima Elatik. PvdA'.

De 'Zeitgeist' heeft ervoor gezorgd dat de kunst van het beledigen (een tijdverdrijf waarmee tot zeer recent vooral enkle fyne luyden zich op papier of op de bühne ledig hielden), is geworden tot een soort volkssport. Steeds meer mensen geven in het verkeer, het ziekenhuis, in de wachtkamer bij de huisarts, op school tijdens oudervergaderingen, in de supermarkt of in enige andere openbare ruimte, op al dan niet verbale wijze uiting aan hun 'onbehagen'. Heeft het te maken met de toeschouwersdemocratie dat niet enkele meer die paar verheven demiurgen van het vrije woord, maar tallozen zich geroepen voelen om de kokende en borrelende bronnen van hun emoties de vrije loop te laten? Is het een positieve ontwikkeling dat niet meer alleen literaire theekransjes zich belangrijk genoeg achten om de goegemeente de eigen grieven en frustraties door de strot te duwen? Is het een teken van maatschappelijke vooruitgang dat burgers en masse hun private wedijver en besognes in de openbare ruimte uitvechten? Dat zij staan te dringen om voor het oog van eender wie (en zeker voor dat van de camera) een boekje open te doen over de sexuele, politieke en psychologische tekortkomingen van buren, ex-geliefden, parlementsleden, hun ouders en kinderen? Dat ze zich in quizzes, talk shows en reality soaps gretig laten aansporen tot het uitkafferen en onderzeiken van medekandidaten of gesprekspartners aan tafel, en tot het fysiek en geestelijk ontkleden van zichzelf?

Commentatoren spreken verontrust over de 'verruwing van het publieke debat'. John Jansen van Galen schreef in Het Parool van 4 april 2002: 'verharding kan geen kwaad, zolang ze niet de vorm aanneemt van opzettelijk kwetsen en beledigen, en het bij onverbloemd benoemen van onderlinge ergernissen blijft.' Schelden mag, zo is de teneur, maar niet als het pijn doet. Het intellectuele peil van het hedendaagse verbale kaatsspel der gerief- en ongerieflijkheden, is gezakt tot enkele meters beneden zeeniveau. Er wordt gejeremieerd dat het een lieve lust is, maar van een 'kunst' is nergens sprake. Louterend zal het allemaal zeker werken, maar stichtend of verheffend?

Dat de algemene geagiteerdheid groter is geworden, lijkt me niet echt een probleem. Het zou ook een teken kunnen zijn van groeiende mondigheid of wat late bevrijding uit een calvinistisch juk; een democratisering van de wijze waarop emoties publiekelijk worden geuit. Wel kritiek is dat tegelijkertijd met deze ontwikkeling het incasseringsvermogen zoek lijkt. De mensen zeggen eerder en luider dan vroeger wat ze op de lever hebben, maar de benepenheid neemt toe. Om het minste of geringste is men een antisemiet of een moordenaar, en tegelijkertijd wordt de roep om 'paal en perk' te stellen aan 'uitwassen van de meningsvrijheid' steeds luider. De advocaten Spong en Hammerstein kondigden drie dagen na de moord op Pim Fortuyn aan politici en columnisten en de voltallige redactie van NRC-Handelsblad voor de rechter te slepen - zich beroepend op artikel 137D van het wetboek van strafrecht - wegens aanzetten tot haat, en het scheppen van een klimaat waarin 'de Kale', hun superieur van de tongriem gesneden professor Pim Pam Pet, kon worden vermoord.

Waar de maatschappelijke onrust groter wordt, neemt de tolerantie af. Een teken aan de wand is de wijze waarop werd opgetreden tegen het kleine groepje burgers dat het waagde om op 2 februari jl. de gevoelens ten aanzien van het huwelijk van de kroonprins op net iets andere wijze te uiten dan de de jubelende, slempende, hossende en dansende oranjemenigte. Vijftien man werden op zeer hardhandige wijze door politiecohorten uit de massa verwijderd en gearresteerd wegens belediging van de monarchie. Een van deze demonstranten was een vrouw van zestig, die met een bord met de tekst "Liever een dwaze moeder,dan een domme prins" langs de route aan de Singel stond. Ze werd vijf uur lang vastgehouden op het hoofdbureau en kwam pas vrij na tussenkomst van een advocaat.

Maar echt onrustbarend wordt het als toneelstukken wegens bedreigingen uit de samenleving moeten worden geannuleerd, of als literaire teksten niet mogen worden gepubliceerd. Als de geest zich zozeer vernauwt, dat esthetiek en ethiek tot een en dezelfde platte dimensie worden teruggebracht; en kunst en politiek niet op papier maar in werkelijkheid in elkaar verknoopt raken. Als het klimaat zozeer verslechtert dat esthetiek en ethiek niet meer uit elkaar kunnen worden gehouden, en culturele, religieuze of anderssoortige Mandarijnen hun 'geheime politie van het zwijgen' inschakelen, om af te rekenen met particuliere vijanden of spookbeelden.

Het gebeurde hier behalve met het Rotterdamse gezelschap dat Aisja wilde spelen, ook met Pieter Waterdrinker, auteur van de roman Danslessen. Waterdrinker waagde het een van zijn personnages in de mond te leggen dat de burgemeester van Zandvoort 'een joodje' was. De werkelijke burgemeester diende een klacht in wegens antisemitisme, en het Openbaar Ministerie steunde hem daarin; een zaak die diende tot aan de Hoge Raad. In tegenstelling tot Brusselmans kon Waterdrinker nauwelijks op steun rekenen van collega's; de zaak interesseerde hen niet of ze vonden (door te zwijgen) dat het inderdaad ontoelaatbaar was dat een romanpersonnage kwetsende opmerkingen maakt over een joodse burgemeester.

Een eveneens tergend geval van onverdraagzaamheid, speelt momenteel bij onze oosterburen rondom de auteur Martin Walser, die geheel in de traditie van Voltaire, Multatuli, Mark Twain of W.F.Hermans, de 'kunst van het beledigen' verfijnd ten uitvoer bracht in een volledige roman, Tod eines Kritikers, waarin een arrogante, gezaghebbende tv-criticus van joodse afkomst - gemodeleerd naar de literatuurpaus Marcel Reich-Raniski - vermoord schijnt te worden door een schrijver wiens werk hij heeft gekraakt.

De redactie van de Frankfurter Allgemeine Zeitung besloot een geplande voorpublicatie te weigeren, vanwege vermeend antisemitisme. FAZ-uitgever Frank Schirrmacher schreef in een open brief in zijn krant dat Walser in zijn roman zinspeelde 'op de gedachte om af te maken wat de nazi's niet voor elkaar kregen'. Walser kreeg niet de kans zich te verdedigen tegen deze aantijgingen in de krant die hem aan de schandpaal nagelde, en de lezers van de FAZ kregen niet de kans om zelf een oordeel te vellen omdat de tekst hen onthouden bleef.

Walser voerde via andere kanalen aan dat zijn boek 'niet over een jood gaat, maar over een tv-criticus', maar zijn verdediging maakte weinig indruk op de culturele machthebbers. Reich-Ranicki riep uitgeverij Suhrkamp op om Walser's boek niet te laten verschijnen, geheel in de geest van de jaren dertig toen het de antisemieten waren die vonden dat onfatsoenlijke kunstenaars tot zwijgen moesten worden gebracht en dat hun werken alleen een plek verdienden op de vuilnishoop of brandstapel.

Sinds de Verlichting is aan de overheid het monopolie toegewezen tot het uitoefenen van geweld. De gewoonte van het eigen rechtertje spelen, is een gebruik dat je in Europa enkel nog in het Albanese Rrafsh-gebergte aantreft, waar overspelige vrouwen volgens de kanun (het gewoonterecht) nog altijd kunnen worden doorgeschoten met de kogel die de vader van de overspelige bruid aan de beledigde echtgenoot moet bezorgen (de bruidskogel). Niemand heeft bij ons nog het recht om zijn tegenpartij de keel over te snijden, of kogels door andermans harsens te jagen. Maar een cultuur die het niet meer toestaat dat de vrijheid van meningsuiting ook betekent dat er dingen gezegd of geschreven worden die men niet wil horen of lezen, die is als de boer uit het sprookje die in het donker plotseling bang wordt van zijn eigen vingers omdat die wel eens dingen kunnen gaan doen die hij helemaal niet wil. Ze zouden uit stelen kunnen gaan terwijl hij slaapt, ze zouden mensen onterecht een klap voor de kop kunnen verkopen, ze zouden hem zelfs in de verleiding kunnen brengen de hand te slaan aan zichzelf! Daarop besluit de boer zijn beide handen af te hakken.

Wie in een westerse samenleving wil leven, staat bloot aan confrontaties met het Vrije Woord. Dat er films, boeken, kranten en toneelstukken verschijnen die we niet pruimen of waar we ons door bedreigd dan wel beledigd voelen, is iets waar we mee moeten leren leven. Iedereen kan kiezen: negeren of repliceren.

Het muilkorven van degene die ons krenkt of irriteert is niet alleen laf maar ook kortzichtig. Wie zichzelf laat intimideren of anderen beperkingen oplegt om te schrijven wat men wil, zaagt de poten onder onze vrije samenleving vandaan. Hij zal wellicht denken - net als Chamberlain op de conferentie van Munchen in 1938 - dat hij een prestatie van formaat levert door in te binden (zoals in het geval van Aisja) of door te ageren tegen vermeend antisemitisme (zoals in het geval van de FAZ en Reich-Ranicki). Wat het gevolg is geweest van Chamberlains poging om de lieve vrede te bewaren, is algemeen bekend. 'Appeasement brought peace in our time. And devestation to the world.' De lieve vrede werd bewaard, en de westerse wereld viel aan duigen.

© Serge van Duijnhoven, 1 juni 2002 Brussel